Van Julia Franck: ‘Kampvuur’ (2004)
vertaling door Hilde Keteleer van ‘Lagerfeuer’ (2003).
Dit is het tweede boek dat ik van deze schrijver lees. Ook dit neemt me meteen mee; het is taal waarin ik me thuis voel. De 270 bladzijden zijn verdeeld over zestien hoofdstukken met bijzondere titels, waarin we in wisselende volgorde meekijken met vier (hoofd)personen.
Het eerste H wordt verteld door Nelly. Het heet ‘Nelly Senff rijdt over een brug’ – een pijnlijk feitelijke weergave van wat veel meer betekent. Deze vrouw uit de DDR vertrekt naar ‘het westen’ onder het mom van gezinshereniging. In een op en top naargeestige situatie kan de vrouw niemand vertrouwen en lijkt ze geen rechten te hebben. De droge toon waarop dit wordt verteld is adembene­mend. De geloofwaardigheid is groot; ik kan me nauwelijks voorstellen dat iemand het anders zou beleven dan wat hier staat. Dat is meteen aanleiding voor de vraag of ik dit wel wil lezen: de naargeestigheid hakt erin.
H2 heet ‘Krystyna Jabtonowska houdt de hand van haar broer vast’. Dit boek gaat over mensen uit de DDR die naar het westen zijn gekomen en in een kamp speciaal voor hen ‘wonen’. Krystyna, 50, is met vader en broer naar het westen gekomen om een operatie voor haar broer mogelijk te maken. Ze hebben er veel voor over moeten hebben. Nu is dit Krystyna’s leven: haar broer in het ziekenhuis bezoeken en slapen in het kamp. Plus een schoon­maakbaantje. Haar broer zou liever zien dat ze haar eigen leven leidt.
Wil je het boek gaan lezen en nog niet te veel weten hoe het verder gaat, stop dan hier.
In H3 vertelt John: ‘Hoe John Bird zijn eigen vrouw bespioneert en naar een andere luistert’. John is de westerse man; hij werkt voor de geheime dienst. CIA, blijkbaar. Lastig voor een huwelijk: zijn vrouw mag niets van zijn werk weten. Hij is bezig met de ondervraging van Nelly uit H1. Vandaar de titel. John vat sympathie op voor Nelly. In de ogen van John wordt Nelly iemand die zich ongeveer niets gelegen laat liggen aan wat er van haar wordt verwacht. Er is geen strategisch belang in haar gedrag. Wonderlijke autonomie in destructieve omgeving. Een bekwaam schrijver die dit laat zien! Wat Nelly zegt noemt John ‘wartaal’. Hij moet wel, in zijn positie.
Het volgende H heet ‘Gelukkige Hans Pischke’. We maken hier kennis met de vierde persoon. Een man alleen, die er ellendig aan toe is: al maanden vegeterend in het kamp. Behalve via zijn ervaring zien we hem via de twee mensen die even op bezoek komen. Dat is de kunst van Julia Franck: ver­schillende perspectieven tonen, terwijl het lijkt of alleen de hoofdpersoon vertelt.
De vier hoofdpersonen zijn: Nelly, Krystyna, John en Hans. In het H dat volgt is John weer aan het vertellen: ‘John Bird wordt getuige’. Hij is getuige van weer een nieuwe ondervraging van Nelly, deze keer door de ‘hoge pieten’ op de Argentinische Allee. De onder­vraging gaat veel over de vriend van Nelly, Batalow. Hij zou zelfmoord hebben gepleegd, maar alleen onbekenden hebben hem gezien. Bizarre wereld.
In ‘Krystyna Jabtonowka’s broer smeedt plannen’ blijkt deze broer vooral nogal ziek en ver heen te zijn. Hij is het zicht op de realiteit kwijt. Terwijl Krystyna alles voor hem op zou willen geven. En heeft gegeven. Hoe treurig wil je het hebben.
In ‘Nelly Senff wordt ten dans gevraagd’ wordt het contact tussen Nelly en Krystyna gelegd: Nelly brengt haar kinderen bij Krystyna onder. Krystyna’s vader, danser, leeft op. Nelly zegt niet waar ze zo dringend heen moet op zondagochtend, zonder kinderen. Dus weten wij het ook niet.
In ‘Hans Pischke staat in de rij, haast zonder wensen’ staat Hans achter Nelly in de rij voor voedsel­waren. Hans moet ook naar de arbeidsbemiddeling. Ongemak kent vele facetten en gradaties. De bemiddelaar vraagt Hans naar zijn reden om te vluchten. Voor hem lijkt het lang geleden.
‘(…) nu schoot me geen antwoord meer te binnen. Ik heb het ooit geweten en ik wist ook hoe het luidde. Ik had vrij willen zijn en willen denken en doen waar ik zin in had. Maar ik wist niet meer waar ik toen zin in had gehad, en daarmee was ik ook mijn gevoel kwijtgeraakt voor de betekenis van vrij­heid, voor een mogelijke invulling van dat denken en handelen.’ Dus doet en onderneemt hij zo min mogelijk. Leeft bijna neutraal? Hans wil alleen wachten op het geluk.
In ‘Krystyna Jabtonowska let niet op’ vind ik het moeilijk te geloven dat deze vrouw zich volledig inzet voor de zorg voor haar vader, die haar totaal niet waardeert.
In het H ‘Nelly Senff hoort wat ze niet wil horen’ is het treurigheid troef. Zelf is ze bijna stoïcijns onder de situatie, maar ze neemt de ellende wel degelijk waar – anders zou ik als lezer het ook niet kunnen zien. De kinderen gaan inmiddels naar school. Aleksej wordt uitgescholden, omgeduwd en vertrapt. Zo belandt Nelly in hetzelfde ziekenhuis als waar Krystyna haar broer bezoekt. Bezocht. Haar broer blijkt overleden. Groter kan een drama toch niet worden. Ze is niet eens op de hoogte gesteld.
Nelly wordt achtervolgd door de kleine man, Hans, voor wie zij een obsessie is geworden. Aleksej ligt al een week in het ziekenhuis als een klasgenootje met zijn moeder komt. Zogenaamd met excuses. Schertsvertoning. Alles is even schrijnend in dit verhaal?
In ‘Hans Pischke ontmoet Nelly Senff in de wasruimte’ gaat Nelly toch het gesprek met hem aan. Alsof ze zich over haar weerzin heeft heen gezet. Ze wil van Hans weten of hij haar Wassilij Batalow mis­schien kent uit de gevangenis? Buiten de wasruimte blijkt dat een van de kampbewoners zich heeft opgehangen.
In ‘Krystyna Jabtonowska verandert van idee’ werkt Krystyna in de snackbar. Vieze boel en nare om­gang. Een collega vormt een uitzondering.
In ‘Wanneer twee mensen elkaar buiten ontmoeten’ komen John en Nelly elkaar tegen. Nelly herkent hem niet. Andersom juist wel. Ik ben bijna opgelucht dat John weer in het verhaal opduikt – even wat lucht in de bedompte kampsfeer. John vraag haar mee naar een hotel. Ze stemt in. John is op het punt een andere baan bij de CIA te krijgen. Hij heeft oorlogservaringen. De tijd dat hij in zijn (oude) functie iets voor Nelly kon doen is al voorbij. Zij heeft niet meegewerkt.
In ‘Nelly Senff vlucht voor doctor Rothe’ blijkt hoe Nelly ondanks haar vormloze, ankerloze bestaan met heel wat mensen te maken heeft. Mij duizelt het zo al. Hans Pischke is genoemd als spion (Stasi).
In ‘Hans Pischke drukt toe met zijn linkerhand’ wordt hij ‘herenigd’ met de dochter (14 jaar) die hem is toegewezen. Hij vertelde er Nelly al over. Hij had willen zeggen dat het meisje niet moest komen. Hans had de vrouw die zich had opgehangen aan een touw geholpen. Hij begrijpt haar heel goed. Hij wordt in elkaar geslagen door kampgenoten die ervan overtuigd zijn dat hij een verrader is. Hij verzet zich niet; had liever gehad dat deze mensen hun werk hadden afgemaakt.
Hans en Nelly zijn duidelijk verschillende karakters, maar door de hand van de schrijver lopen hun verhalen makkelijk in elkaar over. Deze naar binnen gekeerde verhalen stralen een en al eenzaam­heid uit.
Op 90% van het boek vrees ik dat er geen ontwikkelingen komen in dit verhaal. Er is geen uitweg. Hoewel Hans dat anders lijkt te ervaren: ‘Het idee dat ik niet meer wachtte op hoop, laat staan op verlossing, vervulde me met een diepe rust.’ Hij bereidt zich voor op zijn eigen uitweg? Hij is ver­vreemd van wie hij was. ‘De spiegel was een beetje beslagen, maar ik kon toch nog het gezicht zien van de man die ik bijna niet meer was.’
Het laatste H heet ‘Nelly Senff wil ja zeggen’. Nelly hoort van de oude Jabtonowski dat zijn dochter verdwenen is. Van een ander hoort ze dat Pischke zijn polsen niet in de lengte maar dwars had door­gesneden – hij was naar het ziekenhuis gebracht en is alweer terug. In het kamp wordt kerst gevierd. Nelly is er met haar kinderen. Daar zit Hans, toch met de dochter. Hij heeft het over verraders en of ze dat niet allemaal zijn. Nelly moet erkennen dat ze hem niet kan volgen. De aanwezige kinderen wor­den geacht een gedicht voor te dragen. Dan krijgen ze een zakje snoep. De kerstboom vat vlam. ‘Er kwam beweging in de mensengroepjes die zojuist nog in ordelijke rijen voor de etenswagen hadden staan wachten. Alleen de kinderen schreeuwden, maar het klonk eerder blij en opgewonden dan pa­niekerig. De volwassenen vormden een kring om het vuur en keken stom toe hoe de vonken tot vlammen werden.’
Een symbolisch einde? Hoe mensen om een vernietigend vuur staan en niets anders doen dan toekij­ken? Dit tekent de teneur in dit – zo goed geschreven – boek: machteloosheid troef. Machteloos­heid die overlapt met willoosheid. Ik kan me moeilijk voorstellen dat de mensen die ik heb leren ken­nen niets ondernemen om dichter te komen bij waar ze meer op hun plek zullen zijn. Vooral van Nelly kan ik dat moeilijk begrijpen: ze is een mooi en krachtig mens. Ze laat zich niets wijs maken, volgt haar ingevingen. Maar ik zie haar niets doen om haar kinderen en zichzelf uit de nare omstandigheden te ha­len. De auteur overtuigt mij niet wat dit betreft. Het statische van de situatie is deprimerend.
Het boek is erg goed geschreven, maar dat wil niet zeggen dat het een fijn boek is. Niet wat ik noem een aanrader. Ik lees liever iets met enig licht aan de horizon.
Terug naar Korte versies
            naar Startpagina