Portretten
Verhalen
Fotoverhalen
Tintels

Lezen

 
 

1. ‘Het huis van de vier winden’ van Elif Shafak begint in Londen, 1992, vervolgt bij de Eufraat, 1945, en springt heen en weer in plaats en tijd. Het begint bij Esma, dochter van Pembe, zus van Iskender, moordenaar. Maar zo direct is het niet opgeschreven. De taal is prachtig en indringend, de sfeer is triest, vol melancholie en een krachtige levenslust. De schrijver heeft mij onmiddellijk gewonnen. Tragisch is het leven en ik ga mee, wil dit meemaken en alle overwegingen volgen. Elif Shafak laat liefde en onvermogen zien. En voelen.

Lees verder

2. In ‘Rug aan rug’ van Van Julia Franck lees ik over zus en broer, Ella en Thomas, 11 en 10 jaar, die opgroeien in de DDR. Het boek vertelt óver hen, de stijl lijkt afstandelijk en toch leef ik helemaal mee. Ze trekken samen op, hebben een afwezige moeder, sloven zich - pijnlijk vergeefs - uit voor haar aandacht. De pijn van het liefdeloze in het gedrag van de moeder, Käthe, wordt verzacht door de saamhorigheid van de kinderen, hun vertrou­wen in elkaar. Maar zo blijft het niet, helaas. In dit verhaal is veel narigheid en weinig hoopgevends te vinden. Een aangrijpend boek. Krachtig geschreven.

Lees verder.

3. In ‘Kampvuur’ van Julia Franck lees ik over een vrouw uit de DDR die naar ‘het westen’ vertrekt onder het mom van gezinshereniging. In een op en top naargeestige situatie kan de vrouw niemand vertrouwen en lijkt ze geen rechten te hebben. De droge toon waarop dit wordt verteld is adembene­mend. De geloofwaardigheid is groot; ik kan me nauwelijks voorstellen dat iemand het anders zou beleven. Dat is meteen aanleiding voor de vraag of ik dit wel wil lezen: de naargeestigheid hakt erin.

H2 heet ‘Krystyna Jabtonowska houdt de hand van haar broer vast’. Dit boek gaat over mensen uit de DDR die naar het westen zijn gekomen en in een kamp speciaal voor hen ‘wonen’.

Lees verder.

4. In ‘De mansarde’ van Marlen Haushofer maken we acht dagen uit het leven van de verteller mee. Van zondag tot zondag. Op maandag krijgt ze post. Het is een grote envelop met tekst die ze zelf heeft geschreven – toen ze jonger was. ‘Ik herkende niet alleen het handschrift, ik wist echt meteen wat daar voor me lag, al had ik het ongeveer zeventien jaar niet gezien. Ik voelde alleen maar weerzin en de schok die on­verwachte gebeurtenissen me altijd geven. Ik deed de papieren terug in de envelop en bracht ze naar de mansarde.’ Ze gaat aan het werk, bakt een notentaart, krijgt zoon Ferdinand op bezoek en besluit dat het tijd is om de boekenkast schoon te maken. Het werk wordt verweven met herinneringen aan familie, aan vroeger.

Lees verder.

5. ‘Time-Out’ van Dolf Verroen en Hanneke de Jong bevat een mailwisseling tussen Roos-Anne en Jochen met dezelfde ach­ternaam. Zij is 15, heeft hem, kunstenaar, op tv gezien en denkt en hoopt dat hij haar opa is. Haar moeder wil niets vertellen over haar achtergrond.

Lees verder.

6. ‘Zwarte zwaan’ van Gideon Samson gaat over de vriendinnen Rifka en Duuf. Rifka is een stoere. Gemeen, ook. Iedereen wil wel vriendin met haar zijn, maar alleen Duuf is het. Beste vriendin: ‘Rif en Duuf forever’. Rifka is van de ideeën, Duuf is de volger. Aan de lezer vertelt ze wat ze ervan vindt, tegen Rifka zegt ze alleen wat die wil horen. Dat begrijpt Duuf goed en als ze het niet begrijpt maakt Rifka het keihard duidelijk.

Lees verder.

7. In ‘De lessen van mevrouw Lohmark’ van Judith Schalansky krijgen we les van Inge Lohmark, biolgielerares in de DDR. Zo bijvoorbeeld: ‘Als je groen zou zijn, hoefde je niet meer te eten, geen boodschappen meer te doen, niet meer te werken. Je hoefde helmaal niets meer te doen. Het zou volstaan om een beetje in de zon te gaan liggen, water te drinken, kooldioxide op te nemen, en alles, maar dan ook alles was geregeld. Bladgroenkorrels onder je huid. Dat zou fantastisch zijn!’ Deze tekst is dat al.

Lees verder.

                                                                                                                                                     Terug naar de startpagina