Jeugdboek   Van Gideon Samson: ‘Zwarte zwaan’ (2012)
Het verhaal over de vriendinnen Rifka en Duuf bestaat uit drie delen: Voor, Na en Tijdens. In ‘Voor’ is Duuf de verteller. Rifka is een stoere, laat Duuf zien. Gemeen, ook. Iedereen wil wel vriendin met haar zijn, maar alleen zij is het. Beste vriendin: ‘Rif en Duuf forever’. Rifka is van de ideeën, Duuf is de volger. Alsof ze niet anders kan. Mooi gedaan van de schrijver: Duuf vertelt aan de lezer wat ze ervan vindt, tegen Rifka zegt ze alleen wat die wil horen. Dat begrijpt Duuf goed en als ze het niet begrijpt maakt Rifka het keihard duidelijk.
Na drie kleine hoofdstukken raak ik al gedeprimeerd door deze “vriendschap”. Het wordt nog erger: Rifka heeft besloten dat ze haar eigen begrafenis wil meemaken. Ze wil een ontvoering faken – en Duuf moet meewerken. De lezer voelt het aankomen: Duuf wil dit niet, maar het gaat wel gebeuren.
Nare verhalen als dit lees ik liever niet. Dat ‘Zwarte zwaan’ me toch fascineert zegt veel over hoe (goed) het geschreven is. Rifka is knettergek en superslim – ze draaft akelig door met haar ideeën over ontvoering en begrafe­nis. Duuf laat zich onder druk zetten en ik neem het toch maar aan – ook al heeft ze in tegenstelling tot Rifka betrokken ouders en een lieve broer. De dreiging hangt in de lucht.
Wil je het boek gaan lezen en nog niet te veel weten hoe het verder gaat, stop dan hier.
Duuf zit op een bankje in de stad. In opdracht van Rifka heeft ze inkopen gedaan. Nu moet ze twee brieven posten: een vóór en een na de lichting. Ze vreesde al dat iemand haar zou zien en daar is de moeder van Mori, het jongetje dat onlangs is overleden. Dat ik met dit meisje op dit bankje mee kan leven, kan alleen doordat Gideon Samson het tot hier zo goed heeft opgebouwd. Na deze ontmoeting wordt de lezer in het ongewisse gelaten. Duuf heeft de brieven niet volgens op­dracht gepost. Maar wat heeft ze wèl gedaan? Ze heeft de betovering verbroken, maar kan er niets over zeggen. Een­zaam! De brieven blijken nog in haar tas te zitten. Rifka is in de buurt.
In het deel ‘Na’ kijken we mee met Olivier, de broer. In de derde persoon. Lieve jongen, inderdaad. Hij heeft een vriendinnetje. Spannend: hun ontmoetingsplek, de Daalse Plas, is de verstopplek van Rifka. Olivier maakt zich niet erg druk om de verdwijning. Die komt wel weer terug, denkt hij. De jongen zet zich af tegen zijn vader, vindt zijn gedrag nep. Op de avond vóór de verdwijning moest hij niets heb­ben van Rifka die met hem ging zoenen. Boeiend perspectief van de puber die zich ergert aan alles wat niet oprecht is. Zo kijkt hij ook naar de uitgerukte ploeg journalisten bij de “begrafenis”.
Maar Olivier staat op het punt door te draven: hij heeft de schuld op zich geno­men toen Duuf een beeldje van hun moeder had laten vallen. Nu wil hij ook wel schuld op zich nemen als Duuf iets met de verdwijning van Rifka te maken heeft. Als zijn zus op het punt staat hem in ver­trouwen te nemen is ze doodsbang.
In het deel ‘Tijdens’, tenslotte, is het perspectief van Rifka. In de jij-vorm. Dat vind ik lelijk, en moeilijk te volgen. Op de avond voor de verdwijning hangt Rifka voor het huis van Duuf, omdat ze haar niet vertrouwt. Knettergek denkt ze dat ze iedereen in de hand heeft en besluit ze Olivier een rol te geven.
Later, in de tent, ‘ontvoerd’, denkt ze: ‘Wie vermist wil zijn, moet geduld hebben.’ Maar als ze getuige is van het eerste zoenen van Olivier en zijn vriendin, heeft ze ineens niet zoveel macht meer. Ze ver­huist van de tent naar een leegstaande villa. Duuf zoekt haar daar op en Rifka doet lelijker dan ooit. Het is duidelijk dat ze Duuf alleen maar gebruikt en niet eens mag. ‘Waarom is ze eigenlijk je vriendin? Dat heb jij weer hoor. Een klas vol met truttenkoppen en dan kies je net de verkeerde.’
In de villa vindt ze briefjes van de overleden Mori. Hier blijkt dat hij verliefd was op Duuf en een hekel had aan Rifka. Dat hij hun relatie doorzag past niet in Rifka’s wereldbeeld.
Rifka, alleen in de villa, heeft pijn. Ze vindt alles en iedereen stom en is boos. Ik weet niet of ik dit kan geloven. Zelfs zo’n meisje moet toch een keer wanhopig worden? Wanneer Duuf haar, in de nacht, boterhammen komt brengen, behandelt Rifka haar schofterig. Blijkbaar moet dit ergens heen, want dit komt niet geloofwaardig over. Rifka pest verder en dan vat De Villa vlam. Rifka dwingt Duuf met het mes(!) met haar mee te gaan naar de vorige schuilplaats: de Daalse Plas.
Het laatset H heet ‘Mes’. Hier draaien de rollen. Duuf heeft eindelijk begrepen dat de vriendschap voorbij is en nooit echt was. Ze wordt er kalm van en neemt het heft in handen. Letterlijk.
In het krantenbericht op de laatste pagina blijkt dat Olivier de schuld van de moord op zich neemt. Dat is schrikken. Hoewel? Een open einde…
Voor mijn gemoedsrust was het beter als alle dreiging met een sisser voorbij was geweest. Een moord zet me aan het denken. Kunnen kinderen zover gaan? Gaan ze zover? Hieraan vooraf gaat de vraag of een kind als Duuf zover meegaat in het terroriseren door Rifka. Als ze eenmaal tot heel veel bereid is, voor de ‘vriendschap’, is er geen weg meer terug? Zelfs niet met een aanwezige moeder als Duuf heeft? Ik zou het liever niet geloven. Maar het boek zelf vind ik ijzersterk. Erg goed geschreven. Met de jij-vorm in het derde deel als ver­gissing.
Terug naar Korte versies
           naar Startpagina