Van Judith Schalansky: ‘De lessen van mevrouw Lohmark’ (2012)
vertaling - door Goverdien Hauth-Grubben - van ‘Der Hals der Giraffe’ (2011)
Inge Lohmark heet ze. Biologielerares tijdens en na de DDR. Van het ergste soort, zo blijkt: ze gaat al een tijdje mee en ze weet hoe het zit. Van moderniteiten en meeleven met de leerlingen moet ze niets weten. Het bijzondere in dit verhaal is dat we alleen haar perspectief kennen, we weten niet hoe dit er voor anderen uitziet – al valt er veel te vermoeden. De lerares is onsympathiek, maar afstand nemen is hier niet mogelijk. Het vermoeden dringt zich op dat ze zeer eenzaam is en haar houding een overle­vingsmodus is. Gaat het de schrijver lukken enige sympathie voor de vrouw te wekken?
Grappig is dat ze de biologiekennis toepast in haar kijk op de leerlingen. Als in een studieboek staan de onderwerpen bovenaan de bladzijde. In het deel ‘Ecosystemen’: hondenlintworm, parasitisme, rijping van de geslachtsklieren, rijpheid, antropogenese, seksuele dimorfie en nog meer. Grappig, maar of dit iets toevoegt aan het verhaal?
Doordat Inge het systeem meent te kennen zijn er voor haar geen verrassingen. Ze heeft alles al ge­zien en weet wat voor vlees ze in de kuip heeft. Twaalf leerlingen zijn er nog maar. Ze worden in een schema op twee pagina’s getypeerd.
Grappig is ook hoe Inge opschrikt als ze werkelijk de belangstelling van de leerlingen krijgt: wanneer ze afwijkt van het leerstramien. Dan praat ze blijkbaar uit zichzelf en kijken de leerlingen op.
‘Plotseling waren ze allemaal klaar wakker en was het gedaan met de les.’ Ja, stel je voor dat ze eens echt interesse hebben. Nee, zo snel mogelijk weer terug naar het gebaande pad, zodat ze weer we­zenloze gezichten tegenover zich heeft.
Fraai hoe het biologie geven wordt geplaatst in de geografische en politieke situatie. ‘Natuurlijk had ze geluk gehad. Biologie en gymnastiek. Het leven op het spoor. De natuurwetenschappen hoefden niet herschreven te worden. Daar ging het niet om menen en denken. Er werd geobserveerd en onder­zocht, bepaald en uitgelegd. Hypothese, inductie, deductie. Natuurwetten waren internationaal. (…) de biologie, dat was een feit. En het biologieonderwijs een feitenrelaas. Hier vond overdracht plaats van kennis die geverifieerd was en niet aan geldigheid inboette door omschakeling naar een ander politiek systeem. De wereld liet zich alleen vanuit zichzelf beschrijven en verklaren. En de wetten waaraan ze onderworpen was, waren onbeperkt geldig. Daarover kon niet gestemd worden. Dat was echte dicta­tuur!’ 
Bijzonder dat een jonge auteur zich (op deze manier) verplaatst in een oudere docent. Je moet maar durven? De school is met het afnemend aantal leerlingen een zinkend schip. Mooi gegeven. Alleen al omdat het diverse reacties wekt bij verschillende mensen.
Inge Lohmark is ook gymlerares (58). Dat was al aangestipt en toch had ik het niet verwacht. Ik moet het beeld van een stijve vrouw bijstellen.
Als de eerste dag na de zomer voorbij is blijkt haar auto niet te starten. Inge zit er niet mee – ze gaat lopen om verderop de bus te nemen. Ze leren we ook haar leefomgeving beter kennen. De omgeving loopt leeg. Een treurig gegeven, maar Inge is niet iemand die treurt. De dingen zijn zoals ze zijn. Ze geeft niet alleen biologieles, ze is ook bioloog en kijkt als bioloog naar de wereld. Prachtig vind ik hoe ze het verschil tussen plant en dier beziet: ‘Planten zetten energiearme stoffen om in energierijke. Bij de dieren was het andersom. Wij zijn gewoon niet autotroof. In elk blaadje, in elke piepkleine blad­groen­korrel voltrekt zich elke dag weer het wonder dat ons allemaal in leven houdt. Epidermis, cuti­cula, palssadeweefsel. Als je groen zou zijn, hoefde je niet meer te eten, geen boodschappen meer te doen, niet meer te werken. Je hoefde helmaal niets meer te doen. Het zou volstaan om een beetje in de zon te gaan liggen, water te drinken, kooldioxide op te nemen, en alles, maar dan ook alles was geregeld. Bladgroenkorrels onder je huid. Dat zou fantastisch zijn!’ Deze tekst is dat al.
Inge, dus de auteur, neemt waar hoe het plantenleven de mensen overleeft. ‘De teruggave aan de voormalige eigenaren was slechts een kwestie van tijd.’ En dit: ‘Je moest ruimer denken, verder dan de armetierige menselijke maat. (…) De mens was een vluchtig voorval op basis van proteïnen.’ Meer heb je niet nodig om jezelf en anderen onbeduidend te vinden?
‘Niet het verval zou deze plaats teisteren, maar de totale verwildering. Een woekerende inlijving, een vreedzame revolutie. Bloeiende landschappen.’ Eigenlijk een positief mens!
Eenmaal uit de bus praat ze nog even met Hans, een eenzame man. Typerend voor deze vrouw is dat ze veel ze van iedereen vindt en weinig daarvan communiceert. Ze houdt het voor zichzelf. Ze houdt ermee zichzelf overeind?
Hoe Inge leeft wordt schaars aangeduid. Voorheen woonde ze (met Wolfgang, begrijpt de lezer) in een nieuwbouwwoning. Nu in een huis met vrij uitzicht over het veld. ‘Als het de benaming huis al ver­diende.’ Een kartonnen doos, in een paar dagen in elkaar gezet. Weer zo’n fraaie observatie: ‘Eerst wachtte je en leven lang op een telefoonaansluiting. En dan stond er in drie dagen een huis.’
Thuis is er bericht van haar dochter, met wie ze schaars contact heeft. ‘Just married’ is het onderwerp. Hoezo vervreemd van elkaar. Er ligt een stapel lesmateriaal. Hier eindigt het deel ‘Ecosystemen’.
Het tweede deel heet ‘Erfelijkheid’.
Het is november. De kraanvogels op het veld achter het huis zitten er nog; ze zijn nog nooit zo lang ge­bleven. Wolfgang is gespecialiseerd in struisvogels. Fokken. Ook hier praat Inge afstandelijk over.
Wil je het boek gaan lezen en nog niet te veel weten hoe het verder gaat, stop dan hier.
Ik vraag me al een tijdje af of er een ontwikkeling zal zijn in deze roman en dus eigenlijk: of er een verhaal wordt verteld. De kans wordt steeds kleiner. De roman laat de status quo zien van de lerares, de mens Inge Lohmark. Ze is getuige van een aantal zaken en levert veel inwendig commentaar. Soms ook hardop, meestal in gesprek met collega’s. En er zijn herinneringen aan haar dochter Claudia, aan Wolfgang, aan haar ouders, en aan ‘andere tijden’, met andere normen. Haar krijgen ze niet gek. Ze prikt de meeste praatjes door.
Ook het onderwijs krijgt van haar de wind van voren. Ze weet waar de leerplicht voor is: ‘van staats­wege georganiseerde vrijheidberoving’!
Spottend neemt ze waar hoe iedere periode andere normen en gebruiken kent. Het effect op mij als lezer – identificatie met de hoofdpersoon is onvermijdelijk? – is een gevoel van krachtig weten: het heeft iets lekkers, onaantastbaars, om precies te weten hoe het zit! Met enige afstand voeg ik toe: het loont de moeite om jezelf op deze manier boven het gepeupel te stellen. Maar hoe lang werkt zoiets?
Klimaatverandering door menselijk handelen vindt ze flauwekul.  Op vlees eten heeft ze ook een eigen kijk: ‘Runderen waren een uitvinding van de mens. Het waren melkmachines, grazend vlees met ze­ven magen. Wij hadden ze gefokt. Nu moesten we ze ook maar opeten.’
In een wonderlijke terugblik, als ze toch niet de bus neemt (waar is Erika?) en terug de school in gaat, herinnert ze zich een onverwachte zwangerschap, van een andere man, toen dochter Claudia al puberde. Die eindigde in abortus.
Tot slot van dit tweede deel zit Inge bij Kattner in een kantoortje, is ze zich bewust van alle energie die het hoofd gebruikt en ziet ze het voordeel van dier zijn. ‘Waar was de staart die ze kon afwerpen?’
Deel 3 heet ‘Afstammingsleer’.
Het is inmiddels twee weken voor de paasvakantie. Inge gaat met de auto naar school en ziet de schoolbus met pech stilstaan. De kinderen zullen te laat komen, weet ze. Er volgen kritische over­peinzingen over verkeerde keuzes in het onderwijssysteem: iedere deelstaat heeft eigen boeken en een eigen eindexamen. Inge rijdt wachtende leerlingen voorbij, maar voor Erika stopt ze. Ook uit de gedachtes die in haar hoofd tollen (‘Bestonden er eigenlijk vrouwelijke pedofielen?’) blijkt hoe gefrus­treerd deze vrouw is. Een eenvoudig prettig contact met een opgroeiend kind zit er niet in.
Er zitten maar zes leerlingen in de klas. De les gaat over de tijdperken van de aarde, in 3,7 miljard jaar. Inge beseft dat de leerlingen te onervaren zijn om te begrijpen ‘hoe kort hun levensduur, hoe nietig hun bestaan, hoe lachwekkend onbelangrijk elk ogenblijk was.’ Door neerbuigend over de leer­lingen te doen, lijkt ze zelf nog heel wat?
Bacteriën en virussen zijn ‘onsterfelijk en volmaakt.’ Ik vermoed dat de schrijver heeft gesmuld bij alle tegendraadse info. ‘Ontwikkeling was alleen maar een uitdrukking van onvolmaaktheid.’ Alleen maar?!
Terloops wordt nog even ‘het principe van al wat leefde’ benoemd: leven van de dood van anderen. (‘Maar dat was taboe, dat wilde niemand toegeven.’)
Inge komt met nog meer indeling: ‘Er waren twee strategieën om het leven aan te kunnen. Het ge­woon te aanvaarden. Of proberen het te begrijpen. Een overzicht te krijgen. Licht in het donker bren­gen. (…) Ik krijg de indruk dat Inge zichzelf graag het eerste ziet doen, maar vooral bezig is met het tweede.
Dan ineens gaat het over het leraarschap en hoe dat begon. Wat een narigheid. Wie zich hier meent te moeten handhaven moet wel nare trekjes ontwikkelen?! ‘Leerlingen waren natuurlijke vijanden.’
Ze onderricht over giraffen in Afrika. Collega Kettner haalt haar uit de les om haar te confronteren met Ellen, die al weken mishandeld wordt. Door klasgenoten, blijk­baar. De sfeer in de klas is verziekt. Het wordt Inge aangerekend. Terwijl zij gewoon de wetten van de biologie ziet terugkeren in het groeps­gedrag. (Bovendien, denk ik: zij geeft deze klas toch alleen maar bio en gym?)
Inge vervolgt haar les over de lange nek van de giraf (de oorspronkelijke titel!). ‘Het leven is rekken en strekken.’
Tijdens een gymles, trefbal, komt een afschuwelijke herinnering boven. Een moment toen Claudia bij haar in de klas zat. Ook een kind dat werd gepest. Maar toen de nood hoog was en ze de hulp van haar moeder vroeg, was Inge alleen maar de kille lerares en kwam niemand het kind tege­moet.
Ik had al niet veel hoop meer op een ontwikkeling of wending in het verhaal. ‘Elk einde was een open einde.’ Zo is het hier ook. Inge gaat naar de struisvogels van Wolfgang. Hem ziet ze er niet. Ze neemt de vogels waar. Het eindigt met ‘Onverdraaglijk, maar mooi. De geur van aarde. De struisvogels dansten voor de wei. Inge Lohmark stond bij het hek en keek ernaar.’
Zoet en wrang tegelijk. Mooi boek. Knap geschreven. De vraag of er sympathie voor de vrouw wordt gewekt is al achterhaald. Ik heb tot het einde intens meegeleefd.
Terug naar Korte versies
            naar Startpagina