Van Marlen Haushofer: ‘De mansarde’ (2011)        
Een nieuwe vertaling door Ria van Hengel van ‘Die Mansarde’ (1969), Oostenrijk.
Dit boek bestaat uit acht stukken. Het eerste heet ‘Zondag’, het laatste ook. Mijn eerste indruk is dat ik hier iets fraais te pakken heb. De verteller is een ge­trouwde vrouw. Haar man, Hubert, is 52, zelf zal ze ook zoiets zijn. Haar toon is zeer persoonlijk, zo leren we haar goed kennen. Ze verweeft de ach­tergrond in wat ze zegt. Ze heeft een dochter en een zoon, de dochter is “een postuum geborene”, de zoon daarentegen is voor “die ge­beurtenis” geboren.
Dit belooft veel, waardoor de vraag opkomt of Marlen Haushofer de belofte gaat waarmaken.
De vrouw heeft de mansarde (zolder) voor zichzelf. Daar tekent ze vogels. Om­dat ze eenzaam zijn, vindt ze ze mislukt.
Op maandag krijgt de verteller post. Het is een grote envelop met tekst die ze zelf heeft geschreven – toen ze jonger was. ‘Ik herkende niet alleen het handschrift, ik wist echt meteen wat daar voor me lag, al had ik het ongeveer zeventien jaar niet gezien. Ik voelde alleen maar weerzin en de schok die on­verwachte gebeurtenissen me altijd geven. Ik deed de papieren terug in de envelop en bracht ze naar de mansarde.’ Ze gaat aan het werk, bakt een notentaart, krijgt zoon Ferdinand op bezoek en besluit dat het tijd is om de boekenkast schoon te maken. Het werk wordt verweven met herinneringen aan familie, aan vroeger.
Wil je het boek gaan lezen en nog niet te veel weten hoe het verder gaat, stop dan hier.
De papieren zijn aantekeningen uit een periode dat ze haar gezin (man en zoon van drie) had verlaten omdat ze niet kon horen. Alsof ze was vergeten hoe het moest. Mysterieus. Alles leek juist zo goed in haar leven. Ze had onderdak bij een jager, in een huis tussen ber­gen in, zeer afgelegen en onaange­naam. In die tijd wist ze dat het leven niet meer zou worden zoals het geweest was.
In de ‘kleine’ dingen wordt een visie getoond. Ze ervaart bijvoorbeeld de wekker heel anders dan haar man. ‘Ik heb volgens hem al twee wekkers in het geniep om zeep gebracht. Dat klopt niet, ze vonden het gewoon niet prettig dat ik ze aanraakte, omdat ze net zo’n hekel aan mij hebben als ik aan hen. (…) Hubert verbeeldt zich dat wekkers volkomen onschadelijke instrumenten zijn, in zijn blindheid vindt hij ze zelfs nuttig.’ 
De verteller leest de krant en beseft dat voor haar alles merkwaardig en onbegrijpelijk is. ‘Het is nau­welijks te geloven wat mensen allemaal accepteren, maar tenslotte accepteer ik het ook.’
Op dinsdag moet de verteller naar de barones. Maar ze bedenkt dat ze dit contact achter zich wil la­ten, zoals alles uit het verleden.
Over Hubert vertelt ze: ‘Hij is een verstandig man, dat wil zeggen, hij wil dolgraag verstandig zijn. Ver­stand vindt hij het meest begerenswaar­dige ter wereld, hij kan zich niets beter voorstellen, misschien wel omdat hij in wezen erg onverstandig is, maar dat niet durft toe te geven. Ik kan me niet voorstellen dat een echt verstan­dige man ooit uitgerekend met mij zou zijn getrouwd. Vier jaar lang heeft hij zelfs onverstandig durven zijn en toen was hij het liefste schepsel dat ik me kon voorstellen. Ik vraag me af of hij zich dat nog herinnert. Waarschijnlijk niet, of niet erg goed, want alles wat we in die tijd deden moet hij nu als je reinste waanzin beschouwen.’ Zo leren we haar beter kennen, maar als ze niet bin­nenkort ook vertelt wat er vroeger is gebeurd, wordt het storend.
‘Hij (Hubert) deed precies wat toen noodzakelijk en onvermijdelijk was. Maar ik had er ook aan dood kunnen gaan.’ Waar hééft ze het over?
Ze vertelt over het feestje waar ze haar man heeft ontmoet. Hubert moest terug de oorlog in en meteen na de oorlog trouwden ze. ‘Alles ging heel gemakkelijk en we waren gelukkig en konden ons gewoon niet voorstellen dat we vroeger zonder elkaar hadden gekund. En als Hubert een wees was geweest zoals ik, dan had dat niet hoeven veranderen.’
Er is weer een envelop bij de post. Als ze de teksten heeft gelezen, verbrandt ze ze. ‘Ik zal alles lezen voordat ik het verbrand. Ik kom nooit op mijn besluiten terug, ook niet op de domste.’ Ze toont begrip voor de krankzinnigheid van haar eigen generatie, als ‘gevolg van gebeurtenissen waartegen we niet opgewassen waren.’
Op woensdag maakt de vrouw schoon. Niet dat ze daarvan houdt, maar ze wil nuttig zijn. Weer komen er beschouwingen in terugblik langs. Over Huberts moeder: ‘Ik wist dat ze mij niet mocht, maar ook dat scheen niet persoonlijk bedoeld te zijn. (…) Ik was voor haar alleen maar een verstoring in het levensplan van haar zoon, dat wil zeggen: van het plan dat zij voor hem had opgesteld, een factor die uitgeschakeld moest worden. Ik weet niet wat ze zou hebben gedaan als ik niet na vier jaar huwelijk zo vriendelijk was geweest mezelf uit te schakelen.’ Deze opmerking komt dubbel hard aan doordat de lezer (nog steeds) niet weet wat er is gebeurd.
Weer is er een envelop bij de post en weer krijgt de lezer de dagboektekst van weleer te lezen.
Donderdag gaat de vrouw naar de kapper en naar haar dochter. Thuis zijn er weer de teksten uit de envelop. Hubert wil ’s avonds geen tv kijken, maar lezen over de slag bij Ebelsberg. Dan gaat de vrouw nog maar eens naar de mansarde, nu om te tekenen. ‘De mansarde is ook veranderd sinds ik hier mijn oude aantekeningen moet lezen.’
Op vrijdag komt ‘de aardige dame’ op visite. Een vrouw die gelijk met de verteller bevallen is – lang geleden dus al. Voor de verteller is het een raadsel dat die vrouw haar op blijft zoeken. Ze ziet zichzelf als ‘verdorven en verpest.’
Ook op zaterdag moet er huishoudelijk worden gewerkt. Er zit weinig ontwikkeling in deze roman. Wat de vrouw over zichzelf vertelt, hoe aangepast ze is en hoe een klein meisje nog wel in haar zit opge­sloten, wordt bijna gezeur – omdat ze er (blijkbaar) niets mee doet. En erger: zichzelf zichzelf kwalijk neemt.
Zaterdag wordt eindelijk het begin van het drama verteld: ‘Een heel gewone brandweersirene midden in de nacht was voldoende om mij doof te laten worden. (…) De hoestbuien van mijn vader hadden dat niet voor elkaar gekregen en ook de werkelijke sirenes toen in de oorlog niet. Ik kan dat allemaal niet begrijpen. De brandweersirene (..) loeide, en ik schrok wakker en kon Huberts stem niet meer horen. Toen wilde ik sterven. Ver-van-alles-weg-willen-zijn was mijn substituut voor de dood.’
Vervolgens: ‘Maar ik ben weer opgestaan uit de dood, en wie is opgestaan hoort nooit meer echt er­gens bij.’ Zo praat je jezelf je drama aan? Andersom kan ook: een­maal terug is de vreugde erbij te horen extra groot. Maar ze is niet in staat om ‘de dingen’ positief in te zien? Dat is met haar achter­grond niet zo vreemd? Ze creëert er mentale ‘redenen’ bij? Hubert en zij hebben de keuze gemaakt niet eerlijk tegen elkaar te zijn. Dan blijft het inderdaad moei­lijk. Maar waarom dan?
Veel vragen, weinig antwoorden. Veel gedoe. Allemaal omdat ze zichzelf geen leven toestaat? 
De vrouw tekent dit keer een draak in de mansarde en deze bevalt haar heel goed.
Zondag, tot slot. Slechts drie pagina’s. Ze doen gewone dingen, maar de vrouw is veranderd. Ze gaat terug naar haar draak. Ze struikelt over de voorlaatste tree. Wordt hier de suggestie gewekt dat ze valt en sterft? Het staat er niet.
Het boek is goed geschreven, het heeft me meegenomen naar het einde. Maar het verhaal voldoet niet. Of ik zou genoegen moeten nemen met de strekking dat mensen niet in staat zijn samen te le­ven. Dat is te treurig.
Van wat ‘eens’ is gebeurd heb ik pas tegen het einde een samenhangend beeld: op een dag kon de vrouw niet meer horen. Ze zonderde zich af op een verlaten plek tussen twee bergen. Met man en zoontje had ze geen contact meer. Ze ontmoette een gruwelijke man. Op een dag kon ze weer horen en ze ging terug naar man en kind. Het vreemde is: over hoe het was om terug te keren vertelt ze niets. Dat zal samenhangen met: we heb­ben het nergens over, we vergeten en verdringen alles. Maar dat is voor mij als lezer nou juist niet te volgen. Vertelt dit boek over hoe we met opzet vergeten? Ik geef de voorkeur aan verhalen met ruimte voor eerlijkheid, openheid en het bovenhalen van de on­derste steen.
Dit boek is dan ook geen aanrader. Op de voorkant staat dat de schrijver door feministen op handen werd gedragen. Ook als feminist beveel ik dit boek niet aan. De vrouw toont zich akelig passief met betrekking tot haar eigen leven in het algemeen en haar relatie in het bijzonder.
Ik had de vraag of de schrijver de spanning ging waarmaken. Het antwoord is nee. De spanning was veel sterker dan het antwoord op de vraag wat er is gebeurd.’ Storend vind ik dat Huberts erva­ring buiten beeld is gebleven. We weten niets van hem en van hun weerzien na de ‘dove’ periode. Er is een kleine verwijzing naar een andere vrouw in zijn leven, maar dat kan een verzin­sel zijn. Het krijgt geen inhoud. Achteraf gezien is er een boel drama gerezen, waar weinig invulling aan is gegeven.
Naar is dat de verteller zichzelf naar behandelt. Dat ‘verpest en verdorven’ zoals ze het zelf noemt is voor mij niet te volgen. Het fatalistische heeft in dit verhaal weinig grond.
Terug naar de korte versies
            naar Startpagina