Portretten
Verhalen
Fotoverhalen
Tintels
 

Tintel

Nooit alleen

Nog druipend van het zeewater loop ik door het hete zand naar de douche. Vlakbij, daar waar het strand in de straat overgaat, waar mensen vertrekken en aankomen, zit een kleine jongen in het zand. Hij heeft een pet op zijn hoofd, er zitten slippers aan zijn voetjes, en verder heeft hij niets om zijn mollige lijfje. Zijn gezichtje gaat verborgen onder de klep van de pet. Ik stap op de betonnen plaat van de douche en sluit mijn ogen als ik het water over mijn gezicht laat lopen. Hoe komt zo’n jongetje daar zo alleen? Ik vermoed dat hij al wel kan lopen, maar waar zou hij heen moeten? Als de douche gestopt is buig ik voorover om in zijn ogen te kijken. Sip staart hij voor zich uit. Mijn blik durft hij niet te beantwoorden; het leven is zo al eng genoeg. Ik aarzel. Zo’n kleintje mag van mij niet alleen blijven, maar wat kan ik doen? Ik blijf op twee meter afstand staan, speur het strand af naar ouders die hun zoon komen halen.

Een luid geblaf leidt mijn aandacht af. Het kind begint luidkeels te roepen: ‘Mamááh!’ Een grote hond komt over de straat aanlopen. Geen moeder laat weten dat ze haar kind heeft gehoord. Zelf ben ik ineens niet meer bang voor honden. Zonder de moeder is het mijn beurt om tussen hond en kind in te gaan staan. Het dier echter heeft noch voor mij noch voor het kind belangstelling en is al snel voorbij.
‘Zo,’ zeg ik tegen de jongen, en kom een paar stappen dichterbij, ‘de hond is weer weg.’ Waarmee ik hem eigenlijk wil laten weten: zolang je moeder er niet is, zorg ik dat jou niets overkomt. Ik verbeeld me dat hij het zo wel begrijpt. Iets terugzeggen, met zijn mond, met zijn ogen, hoe dan ook, doet hij niet. Nog steeds is hij in doodongelukkige toestand, maar dankzij een vreemd wezen niet langer in de stress van de angst. Ik houd nog steeds afstand, neem aan dat hij te veel nabijheid eng vindt.

Daar sta ik dan. De jongen blijft zitten waar hij zit, zijn ellende verborgen achter de klep van de pet. Misschien maakt het hem niets uit of ik hier ben, denk ik ineens. Wat weet ik ervan? Misschien is zo’n kind heel wat gewend. Met een paar stappen richting zee verwijder ik me van zijn vaste positie. Ik kijk om om te zien of hij er iets van merkt. Nu is het gezichtje mijn kant opgericht en zijn blik is zo wanhopig dat ik bijna plaatsvervangend in janken uitbarst. Dus keer ik op mijn schreden terug.
‘Okee, liefje, dan blijf ik bij je.’ Op de afstand van zo-even blijf ik bij hem staan. Hij zakt in zijn houding van schijnbare onverschilligheid terug, maar nu weet ik beter. Ik weet dat hij weet dat ik er ben. Bij hem. Niet voor het leven, niet om hem iets speciaals te leren, maar alleen hier en nu. Zonder elkaars naam ooit te horen zijn we verbonden in een eeuwig moment.

Terug naar Tintels