Portretten
Verhalen
Fotoverhalen
Tintels
 
 

[Dit zijn de eerste pagina’s van een portret in ‘Op klaarlichte dag’.]

Marleen

‘Ik kan niet meer net doen of het niet uitmaakt wie ik ben’

De enige brief die mijn moeder ooit aan haar vriendin schreef, was toen ze op het punt stond haar koffers te pakken en bij mijn vader weg te gaan. Toen bleek dat ze zwanger was, van mij. Ik ben geboren in Amsterdam, in maart 1957. Mijn moeder zei altijd: ‘Jij bent het beste wat mij overkomen is.’ Daar was ik vroeger heel trots op. Nu kijk ik er anders tegenaan. Het was wel zo, voor haar. Zelf ben ik helemaal niet aan bod geweest. Maar dat zeg ik nu.

Ik was de jongste. Er zitten 9, 11, en 13 jaar tussen mij en de andere kinderen. Ik ben van een andere generatie. Wat gezinshistorie betreft hebben we ook niet veel samen. Zij waren al uit huis toen ik regelmatig met mijn vader in de clinch lag. Ik had een dominante vader, die veel afwezig was, en als hij er was, dan was hij er ook. Ik ben heel veel met mijn moeder opgetrokken. Ik was dus altijd met ouderen. Mijn ouders hadden door de drie andere kinderen genoeg van een strakke opvoeding; ik hoefde niets. Als ik niet op ballet wilde, dan ging ik niet op ballet, terwijl de anderen het moesten. Piano spelen hoefde ook niet. Nu ben ik aan het tekenen, ik speel piano. Alles wat toen niet hoefde doe ik nu. Ik maak beelden uit steen. De creativiteit, die dus wel in me zit, komt nu aan bod.

Ik had als kind chronische bronchitis; veel last van mijn ademhalingswegen. Ik weet van horen zeggen dat ik op ademhalingsgymnastiek zat. Omdat de hele familie last had van chronische bronchitis was het advies: jullie moeten naar de bossen, of naar zee. Het werden de bossen, toen zijn we naar Bilthoven gekomen.

Er was niet echt een liefdevolle relatie tussen mijn ouders. Ik zat in het kamp van Ma, ben altijd heel erg een moederskindje geweest. Ik was geloof ik twaalf voordat ik een keer alleen met de trein wegging, en dan nog werd ik erop gezet en er aan de andere kant afgehaald. Ik was heel erg beschermd, en de boodschap luidde: verandering is achteruitgang; je weet wat je hebt en nooit wat je krijgt. Je moet niet zeuren, want het gaat wel over voordat je een jongetje bent.

Na de havo ben ik gaan studeren, om te beginnen op de bibliotheekschool in Amsterdam. Toen wilde ik wel op kamers, maar dat lukte niet direct. Ik bleef thuis wonen, reisde op en neer. Ik kwam op die school, terwijl ik niet wist wat ik wilde. Eigenlijk wist ik het wel, ik wilde fysiotherapeut worden, maar ik had niet de vakken in mijn pakket die daarvoor nodig waren. Het bezig zijn met mijn handen, masseren, vond ik heel mooi. Er werd ook gezegd dat je voor dat vak sterk moest zijn, mentaal sterk, om mensen die een ongeluk hebben gehad weer op weg te helpen. Mij werd gezegd: dat lukt je niet. Ik nam veel aan van anderen. Ook in het vertrouwen dat zij het beter wisten. Maar het is waar dat ik niet iemand ben die mensen uit de put kan halen. Ik ga er eerder bijzitten, om te bevestigen dat het erg ellendig is allemaal, dat ik er alles van weet. Mijn empathie is te groot; groter dan het vermogen een alternatief aan te bieden. De grens tussen mij en de ander is moeilijk te trekken. Vooral met Ma was dat zo.

Daan, mijn jongste broer, zat op de bibliotheekschool, en hij zei dat het er leuk was. Het was algemeen vormend, je kreeg er allerlei vakken, al die wetenschappen. Ik ben het gaan doen, en als ik iets begin, dan maak ik het af. Al vrij snel vroeg ik me af wat ik daar deed. Maar ja, ik had wel leut met mijn vriendinnen in de klas. Het was een leuke groep. Uiteindelijk ging bijna iedereen van die groep studeren, en niet de bibliotheek in. Dat zegt ook wel iets over mij: iedereen ging studeren, dus ik ook. Ik wilde Italiaans doen, omdat ik een Italiaans vriendje had. De familie had een vakantiehuisje aan de Rivièra, in de buurt van Genua, en ik leefde van vakantie naar vakantie. Ik voelde me daar altijd heel vrij, heel prettig. Voor de studie Italiaans was Latijn nodig, dat had ik niet gehad. Toen kon je bij Kunstgeschiedenis Italiaans als bijvakken doen, zo intensief dat je eigenlijk Italiaans studeerde. Dus ben ik Kunstgeschiedenis gaan studeren. Ik weet nog heel goed dat er bij de eerste werkgroep een docent zat die ook hier in Bilthoven woonde, en die zei: ‘O, jij komt uit Noord, en je hebt Havo gedaan? Nou, dan loop je hier na een jaar niet meer.’ Toen besloot ik dat ik niet klein te krijgen was. Ik vond het ook leuk, en ik heb het natuurlijk gehaald. Afgemaakt.

Voordat ik afgestudeerd was had ik al een stageplaats, werk met behoud van uitkering. De eerste was niet zo geslaagd, maar de tweede was de Academie door Woord en Gebaar, in de bibliotheek. Daar heb ik gewerkt, en daar ontmoette ik Thijs.

Voor mij grenst werk aan een soort familiegevoel. Het contact met mensen is erg belangrijk voor me, belangrijker dan het werk zelf. Mijn eerste jaar daar werd via een constructie met een jaar verlengd, langer kon niet. Inmiddels had ik contact gezocht met de bibliotheek van de Letterenfaculteit in Utrecht. Daar had ik zelf gestudeerd, dus daar ben ik op afgestapt. Ik heb eerst nog drie maanden in Amsterdam gewerkt, toen kon ik in Utrecht invallen, en daarna was er een vaste baan. Ik ben er tien jaar gebleven.

Aan initiatief ontbreekt het me niet. Als het pad er is, dan vind ik de weg wel. Maar het pad voelde niet meer als mijn pad, meer als iets waar ik via anderen op gerold was. Nu is het de vraag waar ik warm voor loop. De beste omschrijving die ik hier laatst voor vond, was: wat is werk waardoor mijn waakvlammetje weer vlam wordt? Als alle energie weer gaat stromen is er meer dan alleen dat waakvlammetje. In de periode dat ik ben thuisgebleven van mijn werk, vorig jaar, is de waakvlam zelfs uit geweest is. Daarna ben ik op zoek gegaan: wat vind ik leuk, en wat kan ik? Dat is een hele zoektocht; daar ben ik nog niet uit. Er zijn dingen die ik doe, zoals beelden maken, met stenen bezig zijn, waar ik niet moe van word. Ik krijg er ook hele fijne reacties op, dat voedt weer, in plaats van dat mijn energie alleen maar wegstroomt.

Voordat ik ziek werd was ik al met borstkanker geconfronteerd. Ik weet nog heel goed het moment dat Jet, de vriendin van mijn broer Daan, bij ons in de tuin zat; we waren echte zonaanbidders. Mijn broer had tegen mij gezegd: praat jij eens met haar, want ze wil niet naar de dokter. De tumor in haar borst was zo groot als een paasei, ik kon het heel goed voelen. Uiteindelijk is ze wel gegaan. Toen heb ik tegen mezelf gezegd: dit gebeurt me niet; bij het minste of geringste dat ik voel, zit ik bij de dokter. Jet is in allerlei stadia ziek geworden.

Op een ochtend, in Utrecht, het was 1991, werd ik wakker, en zat de tepel van mijn rechterborst een beetje ingedrukt. Een klein beetje maar, aan een kantje. De volgende dag was het nog zo. Toen ben ik naar de dokter gegaan met de vraag wat het kon zijn.

Ik had geen associaties, voelde niets en er was verder niets te zien. Ik dacht, omdat ik een paar haren rond de tepel heb: dat is vast een ingegroeide haar. Dat heb ik al die tijd gedacht. Hij zei: kijk maar even of het nog zo is wanneer je ongesteld geworden bent. Daar kan het ook mee te maken hebben. Het bleef. Toen heeft een chirurg er naar gekeken, er was niets te zien. Foto’s laten maken, niets te zien. Weer weg. Weer terug. Echo gemaakt. Dat was puur omdat het duidelijk was dat ik er niet gerust op was. Er was niets te zien. Ik weer naar huis, met het advies: hou het maar in de gaten.

Later was ik op een verjaardag van een andere schoonzus. Een vriendin van haar is gynaecoloog, en aan haar vertelde ik wat ik had meegemaakt. Zij zei: niet accepteren, teruggaan. Ik ben teruggegaan, het was inmiddels december ‘91, en nee, niets te zien. In januari was ik er weer, en toen kon je opeens wel iets voelen. Iets heel kleins. Vrind, de chirurg, zei: het enige dat ik kan doen is openmaken. Het was om te kijken. Over biopsie werd niet gesproken. Ik zei: doe dan maar. Dat heeft hij op 4 februari gedaan. Het was een dagbehandeling. De anesthesie (narcose) was afschuwelijk. Die ging er zo hard in, daar heb ik een heel naar gevoel aan overgehouden. Na het wakker worden was het wachten, wachten, wachten. Ik wílde de chirurg zien, ik wilde hem spreken en vragen: wat is het?! Hij kwam en zei: ‘Ik weet niet wat het is; het is niet slecht, maar wat het wel is weet ik niet. We laten het onderzoeken.’ Een week later zou ik terug komen, om de hechtingen eruit te laten halen en voor de uitslag. Ik weet nog heel goed dat ik daar wachtte. Ik had inmiddels toch een angst opgebouwd. Stel je voor dat... Die angst drukte ik steeds weg door te denken dat het niet kon. Het kon echt niet.

Uit ‘Op klaarlichte dag’ door Jacqueline Lucas

Terug naar boven     

Achterflap 'Op klaarlichte dag'

Inleiding 'Op klaarlichte dag'

Terug naar publicaties