Portretten
Verhalen
Fotoverhalen
Tintels      
 
 

Dit zijn de eerste pagina’s van een portret in ‘Een ander mens’.]

Portret Gerrie

‘Ik probeer mijn eigen beste vriendin te worden.’

Toen ik Frank ontmoette was ik al 25. Na een relatie met een vriendje vanaf mijn negentiende, bij wie ik introk, woonde ik met een paar anderen in Amsterdam in een groep. Ik was bezig mijn plek in de wereld te vinden, had een leuk en gezellig leven. Frank en ik studeerden allebei. Hij was een zachtaardige man. Heel romantisch, onbezorgd. Altijd wel te porren voor iets geks. We hebben de meest rare dingen gedaan. Hij schreef en zong. Ik was veel bezig met schilderen en tekenen  en bereidde me voor op de kunstacademie. We hadden feesten. Drinken deden we allebei wel. We waren jong en ongebonden, en werden wel eens dronken. Het had niets te betekenen. We hebben veel lol gehad samen, en het is jaren lang leuk geweest. Voor de buitenwereld waren wij het ideale stel. Al kort na onze eerste ontmoeting was het voor mij duidelijk dat ik met hem verder wilde. Ik wilde met hem oud worden.

 

Onze relatie heeft 17 jaar geduurd. Ik rondde de academie af, ik werkte, had een atelier. Hij volgde verschillende studies. Ik werd zwanger. We kregen twee kinderen, en natuurlijk verandert je leven dan ook. Toen Eva, mijn oudste, een jaar was, en ik zwanger was van Tom, stopte ik met werken. In de loop van de jaren was ik zo met Frank vergroeid geraakt, en zo verstrikt in gedragspatronen, dat ik het gewoon niet in de gaten had dat we samen de vernieling in gingen. Ik kwam in een situatie waarin ik gewend was me helemaal naar hem te richten. Zijn gedrag werd grillig, onvoorspelbaar. Hij kon vreselijk schelden en schreeuwen. Hij was vaak ziek. Welke rol drank speelde had ik niet in de gaten. Ik deed alles om ruzies te voorkomen, of de kinderen te beschermen. Aan een eigen leven kwam ik niet meer toe.

Op dit moment leef ik alweer vier jaar zonder Frank. Ik heb sinds twee jaar niet meer van hem gehoord. Vier jaar geleden heb ik hem voor de keuze gesteld: of je komt nuchter, of je komt niet meer. Hij heeft dus voor het laatste gekozen.

 

Als je alles kwijt bent gaat het opnieuw opbouwen van een eigen leven heel langzaam. Ik had tegen het einde van de relatie het gevoel dat ik niet meer bestond. Dat ik een soort schaduw was. Het duurt lang om weer gewoon mens te worden. Het was nodig opnieuw te leren dat ik zelf moest leven, dat ik weer mijn eigen baas moest worden.

Op dit moment bestaat mijn leven vooral uit mijn huishouden en mijn twee kinderen. Eva is negen, Tom zeven. Verder teken en schilder ik weer. Dat heeft bijna zeven jaar stil gelegen. Al Anon heeft ook een groot deel van mijn leven. Ik heb een paar vriendinnen. Daarmee houdt het op. Ik vind het pijnlijk, zo klein als mijn wereld is.

Ik heb nog een leven voor de boeg, en wil niet bezig blijven met wat er allemaal is gebeurd, wat Frank precies heeft gedaan en waarom. Wat ik wel wil zien is hoe ik zelf in elkaar steek, waarom ik wat gebeurd is heb laten gebeuren. Soms is het net of het een ander is die dit allemaal heeft meegemaakt. Ik wil weten wat ik eraan kan doen om mijn leven nu beter te laten verlopen, en hoe ik zo goed mogelijk voor mijn kinderen kan zorgen.

Twijfel

Frank was een heel innemende man, een lieve jongen. Maar in een periode dat hij door anderen nog op handen werd gedragen, zag ik zijn zachtaardigheid verdwijnen. In die tijd, we waren toen al ruim 12 jaar samen, ben ik aan mezelf gaan twijfelen. Ik dacht: bij mij is hij anders, het ligt aan mij. Ik doe iets fout. We hadden al een kind, en later twee, en ik dacht: ik ben te veel met de kinderen bezig, ik ben truttiger geworden.

De omgeving werkte ook mee. Ik herinner me de keer dat mijn schoonvader op bezoek was en ik een flessenwarmer aan had staan met een fles erin. Tot drie keer toe viel de stroom uit. Ik zei: ‘Er moet ergens kortsluiting zijn, dus ik ga even het huis door om te kijken waar de fout zit.’ Ik kreeg van Frank ontzettend op mijn donder, want ik was een trut, en ik weet niet wat ik allemaal was. Hij ging behoorlijk uit zijn dak tegen mij, omdat ik zei dat er ergens kortsluiting moest zijn. Zijn vader zat erbij, en die deed niets. Hij vond dat schijnbaar doodnormaal. Daar werd bij mij het proces in gang gezet waarin ik ging geloven dat Frank gelijk had, en ik zijn gedrag verdiende. Ik voelde me een trut, dat ik zo overbezorgd was over de elektriciteit. Ik vond het erg dat ik het verkeerd deed, dat ik zo verkeerd dacht. Hij werd gesteund door zijn omgeving. Ik was ook boos op mijn schoon­vader, omdat hij het niet voor mij opnam, maar ik was al gewend dat mijn schoonouders mij negeerden. Ik had bij hen altijd al het gevoel dat ik dankbaar moest zijn dat ik zo’n leuke man had. Want ik was toch wel een bitter mens. Als er iets was lag het aan mij. Het is ook ouders eigen, denk ik, om de eigen zoon in bescherming te nemen. Mijn eigen ouders hadden niets in de gaten.

Tom, mijn jongste, had al kort na zijn geboorte ademhalingsproblemen, vaak ademnood. Ik sliep op zijn slaapritme, en werd wakker als zijn adem stokte. Ik maakte me zorgen om hem. Hij kwam niet goed aan, raakte zelfs ondervoed, zeiden ze. Dat zou aan mijn melk liggen. Frank wilde dat Tom bij hem, aan zijn kant van het bed sliep. Maar in die tijd sliep Frank erg onrustig, dus ik zei: ‘Doe dat nou niet, want dat is voor het kind niet goed en voor jou niet goed. Dan slapen we geen van allen.’

‘Jij pakt me mijn kind af’, zei hij. ‘Het is mijn kind ook.’ Het conflict werd op de spits gedreven en hij stond er op dat het moest. Mijn oplossing was dat ik wakker bleef tot ik wist dat Frank sliep, dan pakte ik Tom op om hem aan de andere kant neer te leggen, bij mij, zodat ik wist dat hij veilig was. Ik heb hem twee keer onder Frank vandaan moeten trekken, ik dacht: dat gebeurt niet nog een keer. Ik bleef wakker tot Frank sliep, want ik wilde hem niet het gevoel geven dat ik Tom van hem afpakte. Ik wilde Frank niet kwetsen, maar vertrouwen kon ik hem ook niet. Inmiddels had ik al zoveel twijfel aan mezelf dat ik er niet op vertrouwde dat mijn oordeel klopte. Hij zei dat ik de kinderen van hem afpakte, en dat ik hem de kinderen niet gunde. Ik dacht dat ik dat inderdaad ook deed.

Van huis uit had ik al niet erg veel zelfvertrouwen. Mijn moeder vond dat ik flink moest zijn. Ze zei: ‘Mislukkingen bestaan niet, iets niet kunnen bestaat ook niet. Verdriet hebben is sowieso uitgesloten voor iemand die niet volwassen is.’ Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik haar teleurstelde. Ik had volgens mijn moeder dan ook geen doorzettingsvermogen, geen ruggengraat, ik was niet vrolijk genoeg, ik was niet gezellig, mijn gezicht stond ontevreden. Dus ging ik vreselijk mijn best doen, voor erkenning die ik toch nooit kreeg. Uiteindelijk ben ik van huis weg gegaan en bij mijn toenmalige vriendje ingetrokken. Ik heb het gevoel dat ik alles wat ik wilde doen, en later ook deed, alleen heb gedaan. Met toch een diep verlangen om eindelijk eens bevestiging te krijgen: nou meid, dat heb je goed gedaan. Maar die is nooit gekomen. Met mijn familie had ik nauwelijks contact. Mijn moeder heeft zelfs de rest van de familie verboden met mij om te gaan. Behalve een broer heeft iedereen zich aan haar verbod gehouden.

Ik zag de buitenwereld als beter dan mezelf, en moest hard knokken om net zo goed te worden. Ik had het gevoel dat zolang ik me maar aanpaste, als ik nou maar deed wat de rest van mij wilde, het nog wel goed ging. Zolang ik daar overzicht en controle over hield zou het kunnen lukken. Ik streefde ernaar goed genoeg te zijn voor anderen.

 

Uit ‘Een ander mens’ door Jacqueline Lucas

Terug naar boven  

Achterflap 'Een ander mens'

Inleiding 'Een ander mens'

Terug naar publicaties