Portretten
Verhalen
Fotoverhalen
Tintels      
 
[Dit zijn de eerste pagina’s van een portret in ‘Leerzaam, samen leren in Dalton en vmbo’.]

Portret Halbe Osinga, Wiskundedocent in Roden

Halbe Osinga (1963), wiskundedocent, werkt sinds 1989 op de Ronerborg in Roden, de Daltonlocatie van RSG de Borgen te Leek. Op de Ronerborg wordt sinds augustus 1995 Daltononderwijs verzorgd. Leerlingen kunnen hier instromen voor vmbo, havo en atheneum. Eindexamen wordt op deze locatie alleen gedaan voor vmbo tl (theoretische leerweg).

Halbe Osinga is naast zijn eigen vak verantwoordelijk voor het ontwikkelen van een digitale leeromgeving voor de hele scholengemeenschap.

Toen ik zeventien was wilde ik gaan varen, stuurman worden op de grote handelsvaart. Ik ben naar de Hogere Zeevaartschool in Delfzijl gegaan, dat was een leuke opleiding. Door het stage-varen, in combinatie met rugklachten die ik in die tijd kreeg, ontdekte ik dat varen toch niet was wat ik mij erbij had voorgesteld. Wat ik dan wel wilde wist ik niet. Tot een keer onder de afwas iemand tegen mij zei: waarom word je geen leraar? Ik heb de Zeevaartschool afgemaakt, zodat ik in ieder geval een diploma had. Als ik leraar zou worden, wist ik, moest het wiskunde zijn, want dat was het vak waar ik op het vwo slecht in was. Ik vond mijn leraren deskundig, maar slecht in het uitleggen. Ik ben dus eigenlijk uit een soort frustratie leraar geworden, met het idee: dat kan ik beter.

Ik ben meteen als leraar gaan solliciteren. De tweedegraads lerarenopleiding wiskunde, een avond per week, begon gelijk met mijn eerste baan. Bij mijn tweede sollicitatie ben ik aangenomen, op een school voor beroepsonderwijs. Er was op dat moment, in 1986, een lerarentekort voor exacte vakken. Het leerlingenaantal daalde en na een jaar was ik boventallig. Ik kwam op een kleine huishoudschool terecht en toen die ter ziele ging had ik invalwerk. Ik solliciteerde op een vacature voor een leraar wis- en natuurkunde. Zo kwam ik op de Ronerborg terecht, veertien jaar geleden.

Beginnen

Als wiskundedocent kon ik me verplaatsen in leerlingen die het niet snapten, dacht ik. Doordat ik hun situatie kende, zou ik het beter uit kunnen leggen. Het eerste jaar, ik was 23 en had geen opleiding voor leraar, werd ik gewoon maar voor een klas gezet. Ik had 28 lessen, onderbouw en bovenbouw, op twee locaties, met leerlingen van verschillende niveaus in een klas, inclusief leerlingen met gedragsproblemen. Zeer gedifferentieerd, dus moeilijk lesgeven. Het enige waar ik mee bezig was, was overleven. Achteraf gezien is me dat goed gelukt. Ik kwam daar met mijn idealisme, wilde die leerlingen wat leren. Het is link om dat te denken, zeg ik nu. Ik weet nog wel dat een leerling mij precies uitmaakte voor wat ik niet wilde zijn: iemand die goed is in wiskunde, maar niet kan uitleggen. Misschien was dat voor hen ook zo. Ik had zelf vwo en hbo gedaan, en kwam in aanraking met kinderen van een veel lager niveau. Of ik me daarin kon inleven is maar de vraag. Ik denk dat ik het intussen wel kan. Maar dat moet je leren.

In die tijd stuurde ik er veel leerlingen uit, maar als een leerling terugkwam, was ik er ook. Hij kreeg na schooltijd les. Hier stak ik veel tijd en energie in. In de gewone lessen was ik al blij als ik een keer een leuke les draaide. Individueel lesgeven ging meestal wel goed. Op deze manier had ik mijn successen en daar hield ik me aan vast. Dat was ook een vorm van overleven.

Daltonschool

Toen ik op deze school kwam was er nog geen Daltononderwijs, maar een heel gewone school was het ook niet. In de advertentie waar ik op reageerde stond dat leerlingbegeleiding belangrijk was. Het was een roerige periode. Er waren veel oudere docenten, het leerling-aantal zakte, en de directeur was aangesteld om er een groeiende school van te maken. Er waren twee kampen. Grof gezegd: de leerstofgerichte en de leerlinggerichte docenten. Die leerlinggerichte docenten waren allemaal jonge mensen. Veel uit die tijd zitten er nu nog.

De directeur was met experimenten bezig. De keuze viel op thuiswerkvrij onderwijs. Het platte doel was leerlingen trekken, maar er hoorde een bepaalde onderwijskundige aanpak bij waar het team iets van wilde maken. We werkten intensief met het kit-model: kennis, interactie en toepassing, en de havlot-methode, dat was een bepaalde aanpak van teksten. In vergaderingen vertelden we elkaar hoe we de theorie in het eigen vak in de praktijk brachten. Op andere scholen had ik dat nooit meegemaakt.

We kregen een nieuwe directie, en nieuwe mensen in het team. Het thuiswerkvrij onderwijs bloedde dood. Intussen moesten wij, om overlevingskansen te houden, fuseren met het grotere Nienoordcollege. Op de Ronerborg kozen we voor een specialisatie. De achterliggende gedachte was: als nevenvestiging moesten we 240 leerlingen hebben om opheffing te voorkomen en door te specialiseren maakten we het aanbod van de scholengemeenschap breed. Van vbo tot en met vwo, maar ook in onderwijskundig model. De keuze was of Montessori of Dalton. Dalton bleek het model waar we zelf de meeste invulling aan konden geven. Dat paste ons.

Sinds een jaar of drie is het wat rustiger. Maar voor die tijd, zolang ik op deze school werk, is het overleven geweest. We waren met zo’n twintig docenten en hadden een leuk en hecht team. Dat wilden we zo houden. Een aantal mensen koos ook bewust voor kleinschaligheid. Ik zou me in een grote school al gauw verloren voelen. De spirit in het team was: we zorgen dat het gebouw kan blijven bestaan en dus zijn we betrokken bij deze locatie.

Dankzij Dalton zijn we een sterke school geworden. Toen we begonnen hadden we 188 leerlingen, nu hebben we er 290. We groeiden per jaar tien procent, harder dan andere vestigingen. We hebben een aantal jaren roofbouw moeten plegen, want met tien procent meer hadden we een klas erbij, maar we kregen de formatie van het jaar ervoor. We wisten waar we het voor deden.

De cursus intervisie die het team volgde bood een uitlaatklep voor de frustraties die er ook waren. We hadden een vliegende start met Dalton gemaakt. Er was een euforisch gevoel: wat zijn we toch heerlijk bezig. Maar als je veel uren krijgt, moet lesgeven, proefwerken nakijken, ben je vooral bezig de tent draaiende te houden. Terwijl we nog midden in het proces zaten van nieuwe ideeën opdoen, zelfstandigheid uitdiepen en onderzoeken wat Dalton precies is, hadden we weinig tijd voor reflectie en vernieuwing. Die kwesties zijn de eerste jaren niet aan de orde geweest.

Lesgeven

Toen ik als docent begon wist ik van toeten noch blazen. De gemiddelde leraar die van de lerarenopleiding komt, weet ook nog van niets. Je kunt het vak niet op een opleiding leren. Talent is handig, maar je moet in staat zijn om goed naar jezelf te kijken, steeds weer de oplossing bij jezelf te zoeken. Dat is soms moeilijk, want je moet regelmatig over je eigen ik, over je eergevoel of je gevoel voor rechtvaardigheid, heen durven stappen. Juist als je het idee hebt: ik heb gelijk en het is rechtvaardig dat die leerling nu doet wat ik zeg. Die leerling zal zich niet zo snel uit zichzelf aanpassen. De enige die iets kan doen, ben je zelf. Je ontwikkeling als docent is ook een persoonlijke ontwikkeling; leraarschap is een vak dat je met je hart doet.

Van een collega leerde ik dat als ik iets vertel, het maar beter iets persoonlijks kan zijn. Een uitleg werkt het beste als die uit mijn eigen belevingswereld komt. Deze collega heeft mij ook begeleid. Hij kwam in mijn les en hield me na afloop een spiegel voor: jij doet nu dat, waarom doe je dat? Je zegt dat, wat bedoel je daarmee? Hij oordeelde niet, maar spiegelde steeds. Daar heb ik veel van geleerd. De eerste drie jaren zijn tropenjaren, hield hij me voor. Al doende leerde ik het vak.

Jacqueline Lucas

Terug naar boven    

Achterflap 'Leerzaam'

Inleiding 'Leerzaam'

Terug naar publicaties