Portretten
Verhalen
Fotoverhalen
Tintels
 
 
Tintel

Genezen

Het licht dat hoog uit de koepel valt, schijnt op de toehoorders. Alle kerkbanken zijn gevuld. Schouder aan schouder schuiven we onze winterjassen tegen elkaar om meer plaats te maken. Muziek. Kinderen, ouderen, smal en breed, vrolijk en ernstig, iedereen wil het horen. Als het licht is gedimd zet op het podium het vocaal ensemble de eerste tonen in.

Wie staat daar ineens op? Een vrouw in blauwe mantel wringt zich uit haar bank, loopt haastig langs de buitenwand naar achteren. Dan hoor ik een rochel, als van een poes die een haarbal opbraakt. Armen, hoofden, rompen voor me komen schichtig in beweging. Het duurt even voor ik, twee banken verder, de oudere vrouw zie die voorover geklapt over haar knieën hangt. Links en rechts wordt aan haar gesjord, net zolang tot ze weer rechtop zit.
Tussen haar en mij zit een vrouw. Zij laat resoluut haar jas achter zich vallen. Ze komt overeind, plaatst een hand in de nek van de zieke vrouw, de andere hand tegen het achterhoofd. De vrouw in de blauwe mantel verschijnt met een glas water. De vastberaden vrouw, in een zachtwollen grijze trui, schudt haar hoofd. Geen water in dit stadium. Links en rechts kijken mensen met bezorgde blikken toe. Dramatiek beheerst hun adem. Ik hoor het woord ‘dokter’ als een noodkreet. Toch is de oudere vrouw in goede handen.
De zangers voeren hun programma uit. Als de zieke, begeleid, naar achteren gaat staat er alweer een flauwe lach op haar gezicht. Alleen de achterblijvers lijken gevangen in hulpeloosheid.

Het duurt vele liederen voor de vrouw in de grijze trui terugkeert in de bank. Ze is nu alleen. De blikken van omstanders, in angstig geheven gezichten, zouden haar wel leeg willen zuigen. Vermoeden ze een bericht dat hen met nieuwe zorgen vult? Deze vrouw komt niet aan de verwachting tegemoet. Het is goed gegaan, zegt ze eenvoudig. De oudere vrouw maakt het goed en zal naar huis worden gebracht.
In de pauze komen de vragen, als om de vrouw alsnog op een verhoging te plaatsen.
‘Hoe heb je het gedaan?’
‘Ben je verpleegkundige?’
‘Was het reiki?’
‘Nee,’ klinkt het. Ze heeft koele handen. Uit ervaring weet ze hoe lekker die zijn als het zweet je uitbreekt. Dat bleek ook wel. Ze had ingezien dat het familie was die naast de zieke zat. Daarom had zij het gedaan. Naasten raken gemakkelijk te betrokken en van streek, zegt ze vol begrip.

Ik zeg niets, vraag niets, maar blijf graag nog even in de buurt. Ontzag voor deze geneesvrouw vindt bij haar geen aansluiting. De ontzetting moet wel gaan liggen. Koest angst. Af paniek. De ontspanning slaat toe in het gezelschap. Hier is een vrouw die zonder speciale bevoegdheid deed wat nodig was. Niets bijzonders. Ze is een vrouw die ieder overal achter zich moet weten.

 

Terug naar Tintels